Generale
overste Kieran O’Reilly tijdens bezoek aan Nederlandse provincie:
"SMA moet naar gebieden blijven gaan,
waar anderen niet naartoe willen"
of
"Pre-evangelisatie belangrijkste
opdracht voor toekomst"
door
Matheu Bemelmans
Begin
oktober was generale overste pater Kieran O’Reilly van de
Sociëteit van Afrikaanse Missiën officieel op werkbezoek
in Nederland. Hij bezocht de Nederlandse huizen van de SMA en
sprak met tientallen leden. Onze Krant sprak op haar beurt met
hem over de toekomst van de SMA.
| Kieran
O’Reilly werd in 1952 geboren in Ierland. In 1970 begon
hij aan zijn priesteropleiding. In 1977 werd hij officieel
lid van de SMA een jaar later volgde zijn priesterwijding.
Daarna was O’Reilly diverse jaren missionaris in Liberia,
totdat hij gevraagd werd om in Rome exegese te gaan studeren.
Na afloop van zijn studie gaf hij meerdere jaren les aan een
seminarie in Nigeria. Nadat hij in 1989 werd gekozen tot bestuurslid
van de Ierse provincie van de SMA, volgde in 1995 zijn benoeming
tot vicaris-generaal van het centrale SMA-bestuur in Rome.
Sinds 2001 is hij generale overste. |
|
Wie zich bij
die functie een strenge, dogmatische manager voorstelt, komt bedrogen
uit. Kieran O’Reilly is een eenvoudige en sympathieke man.
Klein van stuk. Kort baardje en sober gekleed. Bepaald geen ambitieuze
carrièrepater. Hij heeft de functie van generale overste
aanvaard, omdat die op zijn weg kwam. Hij was net zo lief docent
bijbelwetenschap gebleven, zegt hij. Desondanks spreekt O’Reilly
wel van een interessante baan. ,,Ik heb een mandaat van zes jaar.
Binnen die tijd wil ik alle leden van de SMA bezocht hebben. Dat
betekent dus veel reizen. Ik leef het grootste deel van het jaar
uit een koffer. Zelfs thuis in Rome, want daar ben ik meestal
nooit langer dan twee weken achter elkaar.’’
Wereldwijd
heeft de Sociëteit van Afrikaanse Missiën momenteel
zo’n 900 leden, plus ongeveer 80 tijdelijke of geassocieerde
leden. Dat zijn de lekenmissionarissen die voor een bepaalde periode
worden uitgezonden. De SMA groeit momenteel niet, maar dat komt
volgens O’Reilly vooral door de vergrijzing in de Europese
provincies. ,,De meest opvallende ontwikkeling is dat onze sociëteit
wel heel snel groeit in Afrika en in Azië. Naast Afrikanen
zijn de meeste nieuwe leden Indiërs en Filippijnen.’’
Binnen de
structuur van de SMA zijn de provincies redelijk autonoom. Toch
is O’Reilly niet bang voor grote verschillen tussen de provincies,
ook niet nu veel missionarissen niet meer uit Europa komen. ,,Dat
is de rijkdom van onze sociëteit. De ene provincie legt wellicht
wat meer nadruk op catechese, de andere op dialoog. Maar dat was
vroeger ook al zo. De Nederlandse provincie lag in haar ontwikkeling
20 jaar voor op de Ierse. Zolang onze gezamenlijke focus maar
gericht is op Afrika zijn er nog steeds meer overeenkomsten dan
verschillen.’’
Dat brengt
het gesprek op de ‘missie’ van de SMA. Wat is volgens
generaal de eigenheid van de SMA ten opzichte van andere congregaties
of religieuze bewegingen? O’Reilly: ,,Wij zijn missionarissen
en we richten ons op Afrika. Onze belangrijkste opdracht is de
pré-evangelisatie. Met name in gebieden waar het geloof
nog niet verkondigd is. Dat is ook de opdracht die in de encycliek
Redemptoris Missio wordt gegeven.
We moeten evangeliseren. Niet alleen in verlaten gebieden in de
uithoeken van Afrika, waar letterlijk nog nooit iemand geweest
is, maar bijvoorbeeld ook in de grote steden. Dat heeft de SMA
al vanaf haar oprichting gedaan. Wij waren altijd de mensen die
ergens iets opzetten en daarna weer verder trokken.’’
Een nieuwe
ontwikkeling in dit verband is dat de lokale kerken in Afrika
niet alleen meer missionarissen van elders ontvangen, maar er
nu zelf ook uitsturen. ,,Het is belangrijk om de mensen in Afrika
bewust te maken van hun eigen missionaire opdracht. In Nigeria
is nu een missieorganisatie opgezet, die onder andere mensen uitstuurt
naar Ghana. Die inwoners van die landen hebben jarenlang tegenover
elkaar gestaan. Missionarissen waren altijd blanken. Langzaam
accepteert men nu om ook Afrikanen als missionaris te zien. En
er is behoefte aan. Afrika zindert van de spiritualiteit. Mensen
willen graag bij de kerk horen. Ook jongeren.’’
Op de vraag
hoe de nieuwe gebieden voor pré-evangelisatie uitgekozen
worden, antwoordt O’Reilly dat de sociëteit altijd
antwoordt op vragen van plaatselijke bisschoppen. ,,In Tanzania
zijn we 20 jaar geleden in twee bisdommen met nieuwe projecten
begonnen. Een derde bisdom heeft nu ook onze hulp gevraagd. En
in Kenya zijn we ook op nieuwe plekken actief.’’
Was het pakweg 100 jaar geleden een heel avontuur om missionaris
te zijn; O’Reilly geeft toe dat het anno 2004 evengoed geen
gemakkelijke job is. Oorlogen, de aidsproblematiek, conflicten
met Islamitische groeperingen, de concurrentie met de snel opkomende
evangelische sektes. Het zijn de eigentijdse ontberingen voor
hedendaagse missionarissen.
,,Om nog iets te kunnen bereiken zijn we ook gedwongen om samen
met andere congregaties op te trekken,’’ zegt de generaal.
,,Zo werken we als SMA tegenwoordig veel samen met de Witte Paters.’’
Daar waar er vroeger misschien wel eens sprake was van concurrentie
tussen de twee missionaire organisaties, is die volgens O’Reilly
nu helemaal verdwenen. De SMA en de Witte Paters hebben onlangs
een gezamenlijk missionair instituut opgericht voor de Franstalige
landen.
Ook op andere
gebieden wordt meer samengewerkt. Bij het Europees parlement in
Brussel is zelfs een lobbyorganisatie actief, waarin 40 missionaire
bewegingen samenwerken om politieke steun voor Afrika te kweken.
Bij het Amerikaans parlement bestaat een soortgelijke organisatie.
,,Dat is belangrijk, omdat veel wetten en regels die van belang
zijn voor Afrika in Brussel en Washington worden gemaakt.’’
Grote interesse
Wat O’Reilly tijdens zijn bezoek aan Nederland vooral opviel,
is dat de ‘gepensioneerde’ missionarissen nog altijd
heel erg in Afrika geïnteresseerd zijn. ,,Hoe oud sommigen
inmiddels ook zijn, ze tonen nog steeds veel interesse in de missie.
Veel meer dan de oud-missionarissen in andere landen. Dat doet
me goed.’’
Onder de indruk was de generaal ook van het werk in het Afrikahuis
in Amsterdam. ,,Men is er heel erg actief en het huis wordt geleid
door een goed team.’’ Ook de verschillende activiteiten
in het Missiehuis in Cadier en Keer kunnen zijn goedkeuring wegdragen.
,,Er worden vanuit Nederland minder missionarissen uitgezonden
dan vroeger, maar de verbondenheid met Afrika en de missie is
nog steeds groot en met het museum en de lekenopleiding zoekt
men toch nieuwe wegen om daar invulling aan te blijven geven.’’
Dat neemt niet weg dat O’Reilly heel goed ziet dat de toekomst
van de SMA in Afrika en India ligt. De meerderheid van de leden
zal straks daar vandaan komen. ,,In die gebieden hebben we 230
nieuwe missionarissen in opleiding. In Ierland, wat altijd onze
grootste provincie is geweest, op dit moment niet één
meer. De sociëteit beweegt zich naar een andere identiteit.
De invloed van de Europeanen zal afnemen. Maar ik zie dat niet
als iets negatiefs. Afrikanen kijken heel anders tegen liturgie
en pastoraat aan. Hun culturele rijkdom brengt meer diversiteit
en ook meer diepgang in ons missiewerk. Ze voegen echt iets nieuws
toe. Belangrijk is dat we als SMA dáár blijven werken
waar we nodig zijn. Ik hoop dat onze mensen altijd naar gebieden
blijven gaan waar anderen niet naartoe willen.’’
De komende
jaren staan volgens O’Reilly twee belangrijke ontwikkelingen
binnen de SMA centraal:
,,Wat is in de toekomst de beste structuur voor de sociëteit?
Daarbij spelen zaken een rol als: hoe verhouden de oude Europese
provincies zich tot de nieuwe in Afrika? Hoe organiseren we de
verantwoordelijkheden? Kunnen we in Europa groepen supporters
oprichten die met gebed, geld en politieke invloed de missie in
Afrika steunen?
En de tweede vraag luidt: hoe houden we onze blik op de missie
– de pré-evangelisatie – gericht? Niet om zieltjes
te winnen, maar om present te zijn. En als dan, na verloop van
tijd, blijkt dat er een school nodig is, moet er een school komen.
En je zult zien dat mensen dan ook al heel snel om een kerk vragen.
En na een jaar of drie, vier komt ook misschien ook de eerste
vraag naar een doopsel. Je kunt het geloof toch niet opdringen.
Maar we moeten er wel voor de mensen zijn.’’