Onze Krant . Contactblad van de Sociëteit voor Afrikaanse Missiën

Onze Krant is het
familieblad voor alle missionarissen, vrienden, bekenden, weldoeners en verdere supporters van de SMA.

Wilt U meer weten?
Neem contact op met
Ton Storcken SMA:
Rijksweg 15
6267 AC Cadier en Keer
tel: 043-407 73 73
fax: 043-407 73 74
e-mail:

t.storcken@bisdom-roermond.nl

Conferentie- en
studiemogelijkheden in het SMA Missiehuis (klik op één van onderstaande foto's)



Generale overste Kieran O’Reilly tijdens bezoek aan Nederlandse provincie:
"SMA moet naar gebieden blijven gaan, waar anderen niet naartoe willen"
of
"Pre-evangelisatie belangrijkste opdracht voor toekomst"

door Matheu Bemelmans
Begin oktober was generale overste pater Kieran O’Reilly van de Sociëteit van Afrikaanse Missiën officieel op werkbezoek in Nederland. Hij bezocht de Nederlandse huizen van de SMA en sprak met tientallen leden. Onze Krant sprak op haar beurt met hem over de toekomst van de SMA.

Kieran O’Reilly werd in 1952 geboren in Ierland. In 1970 begon hij aan zijn priesteropleiding. In 1977 werd hij officieel lid van de SMA een jaar later volgde zijn priesterwijding. Daarna was O’Reilly diverse jaren missionaris in Liberia, totdat hij gevraagd werd om in Rome exegese te gaan studeren. Na afloop van zijn studie gaf hij meerdere jaren les aan een seminarie in Nigeria. Nadat hij in 1989 werd gekozen tot bestuurslid van de Ierse provincie van de SMA, volgde in 1995 zijn benoeming tot vicaris-generaal van het centrale SMA-bestuur in Rome. Sinds 2001 is hij generale overste.

Wie zich bij die functie een strenge, dogmatische manager voorstelt, komt bedrogen uit. Kieran O’Reilly is een eenvoudige en sympathieke man. Klein van stuk. Kort baardje en sober gekleed. Bepaald geen ambitieuze carrièrepater. Hij heeft de functie van generale overste aanvaard, omdat die op zijn weg kwam. Hij was net zo lief docent bijbelwetenschap gebleven, zegt hij. Desondanks spreekt O’Reilly wel van een interessante baan. ,,Ik heb een mandaat van zes jaar. Binnen die tijd wil ik alle leden van de SMA bezocht hebben. Dat betekent dus veel reizen. Ik leef het grootste deel van het jaar uit een koffer. Zelfs thuis in Rome, want daar ben ik meestal nooit langer dan twee weken achter elkaar.’’

Wereldwijd heeft de Sociëteit van Afrikaanse Missiën momenteel zo’n 900 leden, plus ongeveer 80 tijdelijke of geassocieerde leden. Dat zijn de lekenmissionarissen die voor een bepaalde periode worden uitgezonden. De SMA groeit momenteel niet, maar dat komt volgens O’Reilly vooral door de vergrijzing in de Europese provincies. ,,De meest opvallende ontwikkeling is dat onze sociëteit wel heel snel groeit in Afrika en in Azië. Naast Afrikanen zijn de meeste nieuwe leden Indiërs en Filippijnen.’’

Binnen de structuur van de SMA zijn de provincies redelijk autonoom. Toch is O’Reilly niet bang voor grote verschillen tussen de provincies, ook niet nu veel missionarissen niet meer uit Europa komen. ,,Dat is de rijkdom van onze sociëteit. De ene provincie legt wellicht wat meer nadruk op catechese, de andere op dialoog. Maar dat was vroeger ook al zo. De Nederlandse provincie lag in haar ontwikkeling 20 jaar voor op de Ierse. Zolang onze gezamenlijke focus maar gericht is op Afrika zijn er nog steeds meer overeenkomsten dan verschillen.’’

Dat brengt het gesprek op de ‘missie’ van de SMA. Wat is volgens generaal de eigenheid van de SMA ten opzichte van andere congregaties of religieuze bewegingen? O’Reilly: ,,Wij zijn missionarissen en we richten ons op Afrika. Onze belangrijkste opdracht is de pré-evangelisatie. Met name in gebieden waar het geloof nog niet verkondigd is. Dat is ook de opdracht die in de encycliek Redemptoris Missio wordt gegeven.
We moeten evangeliseren. Niet alleen in verlaten gebieden in de uithoeken van Afrika, waar letterlijk nog nooit iemand geweest is, maar bijvoorbeeld ook in de grote steden. Dat heeft de SMA al vanaf haar oprichting gedaan. Wij waren altijd de mensen die ergens iets opzetten en daarna weer verder trokken.’’

Een nieuwe ontwikkeling in dit verband is dat de lokale kerken in Afrika niet alleen meer missionarissen van elders ontvangen, maar er nu zelf ook uitsturen. ,,Het is belangrijk om de mensen in Afrika bewust te maken van hun eigen missionaire opdracht. In Nigeria is nu een missieorganisatie opgezet, die onder andere mensen uitstuurt naar Ghana. Die inwoners van die landen hebben jarenlang tegenover elkaar gestaan. Missionarissen waren altijd blanken. Langzaam accepteert men nu om ook Afrikanen als missionaris te zien. En er is behoefte aan. Afrika zindert van de spiritualiteit. Mensen willen graag bij de kerk horen. Ook jongeren.’’

Op de vraag hoe de nieuwe gebieden voor pré-evangelisatie uitgekozen worden, antwoordt O’Reilly dat de sociëteit altijd antwoordt op vragen van plaatselijke bisschoppen. ,,In Tanzania zijn we 20 jaar geleden in twee bisdommen met nieuwe projecten begonnen. Een derde bisdom heeft nu ook onze hulp gevraagd. En in Kenya zijn we ook op nieuwe plekken actief.’’
Was het pakweg 100 jaar geleden een heel avontuur om missionaris te zijn; O’Reilly geeft toe dat het anno 2004 evengoed geen gemakkelijke job is. Oorlogen, de aidsproblematiek, conflicten met Islamitische groeperingen, de concurrentie met de snel opkomende evangelische sektes. Het zijn de eigentijdse ontberingen voor hedendaagse missionarissen.
,,Om nog iets te kunnen bereiken zijn we ook gedwongen om samen met andere congregaties op te trekken,’’ zegt de generaal. ,,Zo werken we als SMA tegenwoordig veel samen met de Witte Paters.’’ Daar waar er vroeger misschien wel eens sprake was van concurrentie tussen de twee missionaire organisaties, is die volgens O’Reilly nu helemaal verdwenen. De SMA en de Witte Paters hebben onlangs een gezamenlijk missionair instituut opgericht voor de Franstalige landen.

Ook op andere gebieden wordt meer samengewerkt. Bij het Europees parlement in Brussel is zelfs een lobbyorganisatie actief, waarin 40 missionaire bewegingen samenwerken om politieke steun voor Afrika te kweken. Bij het Amerikaans parlement bestaat een soortgelijke organisatie. ,,Dat is belangrijk, omdat veel wetten en regels die van belang zijn voor Afrika in Brussel en Washington worden gemaakt.’’
Grote interesse
Wat O’Reilly tijdens zijn bezoek aan Nederland vooral opviel, is dat de ‘gepensioneerde’ missionarissen nog altijd heel erg in Afrika geïnteresseerd zijn. ,,Hoe oud sommigen inmiddels ook zijn, ze tonen nog steeds veel interesse in de missie. Veel meer dan de oud-missionarissen in andere landen. Dat doet me goed.’’
Onder de indruk was de generaal ook van het werk in het Afrikahuis in Amsterdam. ,,Men is er heel erg actief en het huis wordt geleid door een goed team.’’ Ook de verschillende activiteiten in het Missiehuis in Cadier en Keer kunnen zijn goedkeuring wegdragen. ,,Er worden vanuit Nederland minder missionarissen uitgezonden dan vroeger, maar de verbondenheid met Afrika en de missie is nog steeds groot en met het museum en de lekenopleiding zoekt men toch nieuwe wegen om daar invulling aan te blijven geven.’’
Dat neemt niet weg dat O’Reilly heel goed ziet dat de toekomst van de SMA in Afrika en India ligt. De meerderheid van de leden zal straks daar vandaan komen. ,,In die gebieden hebben we 230 nieuwe missionarissen in opleiding. In Ierland, wat altijd onze grootste provincie is geweest, op dit moment niet één meer. De sociëteit beweegt zich naar een andere identiteit. De invloed van de Europeanen zal afnemen. Maar ik zie dat niet als iets negatiefs. Afrikanen kijken heel anders tegen liturgie en pastoraat aan. Hun culturele rijkdom brengt meer diversiteit en ook meer diepgang in ons missiewerk. Ze voegen echt iets nieuws toe. Belangrijk is dat we als SMA dáár blijven werken waar we nodig zijn. Ik hoop dat onze mensen altijd naar gebieden blijven gaan waar anderen niet naartoe willen.’’

De komende jaren staan volgens O’Reilly twee belangrijke ontwikkelingen binnen de SMA centraal:
,,Wat is in de toekomst de beste structuur voor de sociëteit?
Daarbij spelen zaken een rol als: hoe verhouden de oude Europese provincies zich tot de nieuwe in Afrika? Hoe organiseren we de verantwoordelijkheden? Kunnen we in Europa groepen supporters oprichten die met gebed, geld en politieke invloed de missie in Afrika steunen?
En de tweede vraag luidt: hoe houden we onze blik op de missie – de pré-evangelisatie – gericht? Niet om zieltjes te winnen, maar om present te zijn. En als dan, na verloop van tijd, blijkt dat er een school nodig is, moet er een school komen. En je zult zien dat mensen dan ook al heel snel om een kerk vragen. En na een jaar of drie, vier komt ook misschien ook de eerste vraag naar een doopsel. Je kunt het geloof toch niet opdringen. Maar we moeten er wel voor de mensen zijn.’’