Wim
Kroeze en en Wilma Rozenga: “Samen sterker dan alleen”
Op verlof uit Babaso
door Ellen Kok
Nu nog kijken ze hoe, tegen de avond de koeien van Langswaegen
in Friesland zich verzamelen voor het melken. Over enkele weken
zijn ze weer in de Afram Plains in Ghana. Na dik twee maanden
verlof verlangen Wim Kroeze en Wilma Rozenga terug naar hun
huis in Babaso met slangen op de veranda en uitzicht op de
kleine S.M.A.-kapel.
Augustus
2001 vertrokken ze voor de eerste keer naar Ghana, land van
yam, maïs, bonen, kippen, geiten en weinig water.
Ze worden niet eerst ondergedompeld, de zogenaamde exposure,
maar gaan direct aan de slag in de missie. Wilma (33) heeft dan
al acht maanden in Botswana gewerkt. Voor echtgenoot
Wim (37) is Ghana de eerste plek in Afrika waar hij aan het werk
zal gaan. Als een toetssteen voor de relatie, zo beleven ze het,
zullen ze het zo pal op elkaar redden of juist helemaal niet?
Wim en Wilma komen er met weinig kleerscheuren vanaf. Onlangs
tekenden ze bij voor nog twee jaar. En in april 2005 kregen ze
een dochtertje: Rakia.

Wim Kroeze en Wilma Rozenga en hun dochtertje Rakia
Beiden
weten het al tijdens de studietijd: ze willen niet in Nederland
blijven. Hun grenzen liggen verder. Wilma studeert sociale
geografie met als specialisatie ontwikkelingslanden en platteland
en later ook nog verpleegkunde, Wim zit in het onderwijs en
werkt er als adjunct-directeur. Het is 1999. Wim en Wilma zijn
dan twee jaar getrouwd. Wilma oriënteert zich op werk
voor NGO’s. Zinvol en leuk, maar ze heeft toch het gevoel
dat het niet helemaal is wat ze zoekt. Alsof er iets ontbreekt.
Maar wat? Op een dag komt Wim, zoon van een predikant, thuis
met een boekje over organisaties die mensen uitzenden naar het
buitenland. De S.M.A. is er één van.
Wim
schrijft een eerste brief naar Cadier en Keer om informatie.
Hij krijgt een handgeschreven epistel terug. Nogal ouderwets
in een beginnend computertijd, vinden Wim en Wilma. Evengoed
vragen ze een gesprek aan, je weet immers maar nooit. Dat oriënterende
gesprek te Cadier en Keer met Ton Storcken en Yvonne Bles geeft
voor Wim en Wilma de doorslag. Hier zijn bezielde mensen aan
het werk en aan het woord. Voor zo’n organisatie willen
ze wel werken. In 2000 beginnen Wim en Wilma aan de eenjarige
opleiding van de CMPA tot lekenmissionaris.
Wim: “Missionaris
zijn is iets anders dan werken voor bijvoorbeeld een NGO. Dat
voel ik heel sterk. Wat de meerwaarde geeft, is de betrokkenheid.
Het zijn geen kortlopende projecten die je na afloop weer achter
je laat, je blijft betrokken bij de mensen. Je mag fouten maken,
je mag opnieuw beginnen. En het werk dat de SMA hier honderdvijftig
jaar geleden is begonnen, is nooit af. Wij lopen een stukje
mee in een lange traditie. Als wij in 2007 weg zijn uit Ghana,
zullen er anderen komen die het werk voortzetten. Met dat werk
bedoel ik meer dan de praktische opzet van een aantal projecten,
ik bedoel echt het bouwen aan het koninkrijk van God.”

De
werkelijkheid is taai. Dat blijkt al in het eerste jaar in
de Afram Plains. De protestantse Wim voelt zich in het geheel
niet op waarde geschat door een daar aanwezige katholieke priester. ‘Maar’ een
protestant. Wim moet wennen aan de hiërarchische structuur
in een land met veel conservatieve katholieken. En dat terwijl
zijn handen jeuken om aan de slag te gaan. Onderwijs opzetten,
praktische zaken regelen zoals de bouw van een schooltje, ouders
ervan overtuigen dat onderwijs en Engels leren belangrijk is
voor hun kinderen. Op dat eerste jaar terugblikkend zegt Wim: “Ik
ben nog nooit zo verdrietig geweest als in dat jaar. Gelukkig
heb je dan elkaar. We hebben wel eens samen in de kapel gezeten,
zwijgend, we hebben er ook gebeden. Op zo’n moment ondervind
je steun van je geloof en van elkaar. Je kunt achteraf niet zeggen
of je het zonder elkaar ook had gered, maar ons is wel duidelijk
dat je door samen over je werk te praten, in staat bent teleurstellingen
beter te verwerken. Op een rijtje krijgen wat er mis ging en
ook wat er goed gaat. Want als missionaris gaat het niet alleen
om het zichtbare resultaat. Het gaat niet om het gebouw, maar
om het samen bouwen. Het doel van ons werk is delen. Dat willen
we overbrengen en dat willen we zelf leren. Meedoen, meekijken,
meebeleven.”
Wilma: “Het
mooie en het slechte van de SMA is dat je volledig vrij bent,
geef maar zelf invulling aan je missie. Nou, ik heb nog nooit
zo hard gewerkt als in Babaso! Altijd beschikbaar zijn als
ambulance en elke woensdag en vrijdag op pad met de pick-up
naar de vrouwengroepen in dorpen die 40 kilometer om ons heen
verspreid liggen. De Afram Plains liggen 100 kilometer ten
noorden van Kumasi. Er is geen elektra, geen water, sommige
dorpen hebben niet eens een put, dan zijn de vrouwen aangewezen
op een klein riviertje. In het droge seizoen kan dat heel dramatisch
zijn. Het is er warm, altijd vochtig, ons gebied is het overgangsgebied
van de savanne naar het tropisch regenwoud. Dus af en toe een
slang op de veranda van ons huis.

Ik
werk met vrouwen. Probeer samen met de vrouwen iets op te bouwen.
Samen met mijn Ghanese collega Agnes bezoeken we 25 verschillende
groepen. Ook moslimvrouwen en gemengde groepen. Het zijn vrouwen
in dorpen die bestaan uit verschillende stammen. Je moet je
voorstellen dat veel vrouwen in de Afram Plains migranten uit
het Noorden zijn. Ze hebben een akkertje gehuurd om hun yam,
tomaten en pinda’s
op te verbouwen en zijn afhankelijk van hun oogst. Omdat ze geen
extended family in de buurt hebben zijn ze volledig op zichzelf
aangewezen. Dan is het goed wanneer je met elkaar een groep kunt
vormen. Overal op de wereld geldt namelijk dat je samen sterker
bent, dan alleen.”
“Sommige vrouwengroepen maken zeep, anderen proberen
zich collectief te verhuren als landarbeidsters. In beide gevallen
gaat het om solidariteit. Als ik kom zijn er soms wat problemen
in de groep. Niet oplossen Wilma, weet ik nu. Dat leer je vanzelf.
Je kunt wel met de vrouwen meedenken over de oplossing van een
probleem. Bijvoorbeeld als een van de vrouwen van het collectief
voor de zoveelste keer niet is komen opdagen bij de oogst. Dan
vertel ik hoe vrouwengroepen in andere dorpen daarmee omgaan
en dat helpt soms. En soms ook niet. Ik merk wel dat vrouwen
elkaar wel steunen als het erom gaat. Als het moet werken ze
een hele dag voor niets op het land en dragen hun geld af aan
iemand die het echt hard nodig heeft. En we lachen samen veel.
Ze lachen om elkaar en om zichzelf. Dat heb ik in Ghana wel geleerd:
geduld, respect en lachen om je fouten. Ook als iemand heel erg
gejokt heeft kan het zo zijn dat ze in de groep blijft. Dan zeggen
de vrouwen: ‘je hebt ons allemaal bedrogen, maar je kan
blijven.’ En dan gieren we het uit!
Missionaris
zijn is blijven leren, bescheiden zijn en je aanpassen. Als
je star bent, of je komt enkel een boodschap brengen in die
vorm die je van tevoren al vaststaat, dan werkt het niet. Het
is belangrijk om eerst de vraag van de ander in beeld te krijgen:
wat willen de mensen zelf? Ik wil niet die-witte-met-dat-geld
zijn! We hebben geen geld en we hebben geen kant-en-klaar aanbod.
We zijn mensen met kennis van onder andere onderwijs en gezondheidszorg
waar de Ghanese bevolking gebruik van kan maken. Dat zien we
als onze missie. In mijn geval werd het vrouwenwerk. Dat bestond
al en ik ging kijken kijken of het bij me pastte. Nee, er was
dus geen vacature! In dat soort woorden denk ik niet.”
Wim vertelt: “Twee jaar geleden werd ik door een dorpshoofd
benaderd voor een school. Er was wel een overkappinkje in de
modder, een rieten dak op vier paaltjes, maar de dorpsoudste
wilde meer leerkrachten en een beter gebouw. Het is dan mijn
taak om dat te organiseren: het schoolgebouw, een huis voor de
leerkrachten en twee wc’s, één voor het dorp
en één voor de school. Ik draag zorg voor metselaars,
timmerlui en als het moet voor geld. ‘Maar we doen het
samen,’ zei ik tegen de chief. ‘Jij zorgt ervoor
dat de metselaars voldoende te eten en te drinken hebben en dat
er genoeg water is om de cement aan te maken.’ Later hoorde
ik van de metselaars dat ze het bijna helemaal alleen hadden
moeten doen! Ik heb toen weer met de dorpsoudste gesproken. ‘Het
is onze schuld’ zei de chief ‘het zal zeker niet
weer gebeuren.’
Of dat de volgende keer ook daadwerkelijk zo zal gaan, kan ik
nu niet zeggen. We hebben het hier niet over de communicatie
die wij in Nederland gewend zijn, in Ghana moet je tussen de
regels kunnen lezen. Ghanezen hebben een andere manier van omgaan
met elkaar. Het is dus maar de vraag of er volgende keer wel
voldoende mensen zullen helpen bij de bouw. Dat kan ontmoedigend
zijn. Ik spreek dan ook niet over het afronden van dit project.
Dit werk gaat door. Ik geef niet op en volg daarin Jezus als
voorbeeld. Niet opgegeven, niet loslaten.
Ik
heb ook een verhaal dat me altijd bemoedigt. Ik ben eens uitgenodigd
in een ver dorp. Een barre tocht: eerst een flink eind in de
pick-up, daarna met de fiets op mijn schouders door een rivier
en aan de overkant diep door de modder naar het dorp. Toen
ik er aankwam was ik vies en bezweet. We hebben er gepraat.
Ik ben naar huis gegaan. Later die week werd ik door een man
uit dat dorp bezocht. Hij vertelde me dat hij onder de indruk
was van mijn komst. Hij zei: ‘als jij dat allemaal al voor
ons doet, waarom helpen wij onszelf dan niet?’ En op zo
een moment begrijp ik: dit is geven én ontvangen, wij
werken met elkaar aan iets dat een olievlek kan zijn. We werken
met elkaar aan het koninkrijk van God.
Dat koninkrijk is op aarde, als missionaris geloof ik daarin.
Waar aandacht en zorg voor mensen is. Waar verschillende mensen
met elkaar werken aan gerechtigheid en vrede. Dat kunnen priesters
zijn én het kunnen lekenmissionarissen zijn van protestantse
huize. Bij de SMA dragen we dat uit naar de buitenwereld. Laten
we het naar de SMA binnenwereld ook uitdragen, want de groeiende
kerk in Afrika is behoorlijk conservatief.”
Sinds
september wonen Wim, Wilma en Rakia (2) in een woonwagen op
het Friese platteland. Wederzijdse ouders hebben kunnen kennismaken
met het Ghanese dochtertje. Ze is heel klein en heel vrolijk.
Rakia zwaait naar alles en iedereen die voorbijkomt. Naar de
buurman die de sloten schoonmaakt, naar popje Bert uit Sesamstraat
en naar de koeien die zich achter de wagen alweer verzamelen
voor een laatste melkronde. Het zal voor Wim, Wilma en Rakia één
van de laatste Hollandse plaatjes zijn, over drie weken vertrekken
ze weer naar hun dorp in de Savanne. Immers: missie is nooit
af.