|
Privécollectie vormt nu beeldentuin bij Afrikacentrum
(Beeldenkenner en -verzamelaar Ben Joosten)
door Matheu Bemelmans
Sommige mensen komen toevallig met een bepaald onderwerp in aanraking en blijken daar dan zo’n passie voor te ontwikkelen, dat ze er een leven lang niet meer los van komen. Zo iemand is ook Ben Joosten (79) uit Dodewaard. Met de beelden die hij in Zimbabwe verzamelde, wordt nu bij het Afrikacentrum in Cadier en Keer een beeldentuin aangelegd.
Ben Joosten is een geboren Rotterdammer, maar woont al 36 jaar in de Betuwe. Van beroep is hij eigenlijk graficus, maar Joosten gaat al jaren door het leven als dé deskundige bij uitstek op het gebied van Zimbabwaanse beeldhouwkunst. Hij schreef er zelfs een 400-pagina’s tellend boek over. Ook bouwde hij een indrukwekkende collectie beelden op, die nu nog uit zo’n 800 beelden bestaat, maar ooit veel groter was. “ In de loop van de jaren is al veel verkocht,” zo legt Joosten tijdens een bezoek aan het Afrikacentrum uit.
Met zijn lange baard en losse kleding oogt hij als het prototype van de kunstenaar, een beetje als een verstrooide professor. Maar dat blijkt hij geenszins te zijn. Al lijkt zijn vrouw daar heel anders over te denken. “Kwam er een zinnig woord uit die man?” vraagt ze plagend als we na het gesprek naar het park lopen waar op dat moment de beelden voor de permanente expositie worden opgesteld.
Het antwoord op de vraag moet absoluut bevestigend zijn. Ben Joosten blijkt een goede verteller te zijn, die boeiend over zijn passie kan vertellen. Een passie die ruim 20 jaar geleden begon. Joosten was toen directeur van het centrum voor kunstzinnige vorming in Wageningen. Na een aantal tentoonstellingen van Nederlandse en andere West-Europese kunstenaars wilde men in 1989 wel eens iets anders. Daar rolde een expositie met beelden uit Zimbabwe uit.
“Vóór die tijd had ik geen speciale relatie met Afrika,” vertelt Joosten. “Ik was er nog nooit geweest en wist er ook niet zoveel van. Voor die expositie was Bernard Takwira uit Zimbabwe overgekomen. Ik raakte met hem in gesprek. Omdat ik in het verleden zelf wel eens bronzen beelden had gemaakt, vroeg ik hem of ze die in Zimbabwe ook kenden. Dat bleek niet zo te zijn. Ik ben toen in ’91 en ’92 naar Zimbabwe geweest om daar een bronsgieterij op te zetten. Toen ik daar was, vroegen enkele kunstenaars me om hun beelden in Nederland aan de man te brengen.”
Eerste generatie
Uit dat verzoek ontstond een intensieve relatie van het echtpaar Joosten met de beeldhouwers in Zimbabwe. Tot 2000 gingen ze elk jaar naar het Zuid-Afrikaanse land om beelden te kopen. Terug in Nederland organiseerden ze workshops beeldhouwen. Joosten: “Op die manier hebben we veel Afrikaanse kunstenaars leren kennen. De contacten waren zo intensief dat ik besloot om het boek ‘Sculptures from Zimbabwe, the first generation’ te schrijven. Het boek is nog steeds verkrijgbaar in de museumwinkel van het Afrikacentrum.
De onderkop ‘first generation’ slaat op de verschillende fases waarin de beeldhouwkunst zich plaatselijk ontwikkeld heeft. Beeldhouwen is namelijk geen traditionele kunstvorm in Zimbabwe, zo legt Joosten uit. “Eigenlijk werd het pas in de 20e eeuw door missionarissen geïntroduceerd. Zij zochten een manier om aan beelden te komen voor hun kerken. Die werden hoofdzakelijk van hout gemaakt. Voor Zimbabwe was dat heel bijzonder. West-Afrika kent van oudsher een traditie van beelden. Zuidelijk Afrika eigenlijk niet. Kunst bestond daar vooral uit gebruiksvoorwerpen: neksteunen en versierde manden of waterkruiken. Het was kunst van het volk.”
Halverwege de jaren zestig van de vorige eeuw veranderde dat. Onder invloed van de Zuid-Afrikaanse tabaksboer Tom Blomefield kwam er een creatief proces op gang. Joosten: “Hij en zijn dochter waren zeer geïnteresseerd in de cultuur en gebruiken van de lokale bevolking. Ze openden op hun plantage een centrum voor kunstnijverheid en gaven de arbeiders de kans om kunstwerken te maken. Dat begon met één of twee mensen en breidde zich langzaam uit. Op de tabaksplantages werkten ook mensen uit andere Afrikaanse landen. Zij brachten hun eigen cultuur mee. Dat leidde tot een enorme explosie aan creativiteit.”
De kunstenaars die in de jaren zestig onder invloed van Blomefield aan de slag gingen, worden de eerste generatie kunstenaars genoemd. Toen later de bevrijdingsoorlog uitbrak en Rhodesië het onafhankelijke Zimbabwe werd, viel het werk drie jaar stil. “Daarna kwam het proces weer op gang, maar breidde het beeldhouwen zich zo uit dat het niet meer in één categorie samen te brengen is. Daarom heb ik mij voor mijn boek beperkt tot de eerst generatie,” legt Joosten uit. Een deel van zijn beelden, die nu in de beeldentuin van het Afrikacentrum terecht zijn gekomen, behoren ook tot die zogeheten eerste generatie.
Visueel ingesteld
De beelden zijn vaak heel spontaan en verrassend, vindt Joosten. “Zeker in de eerste generatie kun je de traditie en de spirit van het volk terugzien. Je vindt er verhalen over heksen en geesten in terug. Ook dieren worden vaak afgebeeld. Toch kun je niet zeggen dat er een speciale Zimbabwaanse stijl is. Wel heeft iedere beeldhouwer zijn eigen stijl. Afrikanen zijn visueel sterk ingesteld. Ze zien meer dan wij. Ze hebben een geweldig observatievermogen dat ze kunnen omzetten in beelden. Wie dat talent heeft, maakt de mooiste dingen. Het is voor veel mensen ook een vorm van broodwinning. Iedereen die een beitel vast kan houden, kan een beeld maken. Er zijn intussen honderden beeldhouwers in Zimbabwe, van wie sommigen ook internationaal bekend zijn geworden. Al zitten er ook wel prutsers tussen, hoor.”
De vraag is voor wie de beelden gemaakt worden, als ze niet echt een eeuwenoude verankering in de lokale cultuur hebben? Joosten: “Het zijn vooral westerlingen die de beelden kopen: Amerikanen, Japanners, je kunt het zo gek niet bedenken.” En die ene Nederlander en zijn vrouw natuurlijk. In de loop van de jaren hebben zij honderden beelden gekocht en ook weer doorverkocht. “Met de opbrengst hebben we ter plekke diverse scholen en onderwijzerswoningen kunnen laten bouwen. Daar hebben we bewust voor gekozen, want als je een school helpt, help je de hele gemeenschap.”
De inkoop was overigens een delicate aangelegenheid, vertelt Joosten: “Sommige kunstenaars woonden in een soort kunstenaarskamp. Als je van de één iets kocht, had je een probleem met de anderen. Als ze in de gaten hadden dat we weer in het land waren, kwamen ze soms ’s nachts al met tassen vol beelden aansjouwen. En mijn vrouw kon geen nee zeggen. Daarom hebben we ook wel eens iets gekocht dat minder mooi was. Maar ach, we hielpen er de mensen ook mee.”
Beeldentuin
Met het klimmen der jaren zochten Joosten en zijn vrouw naar een goede bestemming voor hun beeldencollectie. “Ik heb altijd gehoopt dat er een plek zou komen, waar ze een definitieve bestemming zouden kunnen krijgen. Dat is nu het Afrikacentrum geworden. Daar ben ik erg blij mee, want dit is een prachtig terrein om de beelden te exposeren.
Deze zomer is de beeldentuin ingericht. Joosten heeft zich daar zelf actief mee bemoeid. Bij elk beeld heeft hij een eigen verhaal. “Het is moeilijk te omschrijven wanneer een beeld mooi is,” zegt hij, terwijl we door het park lopen. “Vorm en verhoudingen zijn belangrijk. Beelden spreken meer tot mij dan ik tot de beelden. Ze zeggen: Kijk nu eens. Wat een oplossing, wat inventief. Ik kan ontroerd raken door het vakmanschap, de schoonheid.”
|